Onrust in Bengaalse textielfabrieken duurt voort

Onrust in Bengaalse textielfabrieken duurt voort

De onrust in Bangladesh blijft aanhouden. Ook de voorbije dagen werd er massaal actie gevoerd tegen de lage verloning en de slechte arbeidsomstandigheden waarin de textielarbeiders er moeten werken. Dat deze week bij een demonstratie twee doden vielen, zorgde nog voor olie op het vuur.

Arbeiders eisen vergelijkbaar loon als buurlanden

De textielarbeiders in Bangladesh komen op straat voor een betere verloning: ze willen een vergoeding op het niveau van de andere textielexporterende landen uit Azië. Volgens de Internationale Arbeidsorganisatie bedraagt het minimumloon in India immers 52 euro, Sri Lanka komt aan 54 euro, Vietnam aan 58 euro en Cambodja aan 59 euro per maand.

 

Alleen in Birma zijn de lonen lager dan in Bangladesh, waar het gemiddelde volgens de ILO nu amper 39 euro bedraagt. Eerder deze maand vroeg de overheid wel al om het minimumloon vanaf 1 december te verhogen van 3.000 taka (29 euro) tot 5.300 taka (51 euro).

 

Serieuze veiligheidsproblemen in fabrieken

Intussen blijkt dat er ook heel wat schort aan de veiligheid in de Bengaalse fabrieken. Na de ramp in het Rana Plaza-complex, waarbij in april meer dan 1.100 doden vielen, vroeg het Amerikaanse Walmart aan het inspectiebureau Veritas een doorlichting van de zowat 200 fabrieken waarop het een beroep deed. Daaruit bleek nu dat er 32 niet voldeden aan de minimumvoorwaarden voor brand. Ook de elektrische voorziening liet te wensen over.

 

De gebreken werden naar eigen zeggen inmiddels verholpen, maar voor twee fabrieken zat er niets anders op dan ze te sluiten. Van de geïnspecteerde fabrieken worden er zes op de tien ook gebruikt door andere klanten.

 

De Bengaalse textielindustrie stelt zowat 4 miljoen mensen, vooral vrouwen, te werk. De branche staat voor 80% van de export van Bangladesh. Heel wat grote Amerikaanse en Europese merkenfabrikanten zijn er kind aan huis.

Tags: